Inleiding
Advocaten zijn doorgaans goed in staat om de belangen van hun cliënten te behartigen. Wanneer zij zelf in een juridisch conflict verwikkeld raken, verliezen zij soms uit het oog dat ook hun eigen emoties een rol spelen en dat het daarom verstandig is een andere advocaat in te schakelen.
Dat geldt ook voor geschillen binnen een maatschap. Die komen regelmatig voor en bereiken zo nu en dan zelfs de publiciteit.[1] Ook na een jarenlange samenwerking kan de relatie tussen de partners (onverwacht) tot een einde komen, waarbij de emoties hoog kunnen oplopen.
Stel je voor dat je zelf in die situatie terechtkomt. Op een dag ontvang je een brief van je medevennoten: de samenwerking wordt per 1 januari opgezegd en je mag het kantoor niet meer betreden. Geen uitgebreid gesprek, geen serieuze bemiddeling — gewoon: vertrek.
Dit overkwam een advocaat-partner in de zaak die leidde tot het kortgedingvonnis van Rb. Noord-Holland 30 december 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:15944). De voorzieningenrechter in Haarlem greep in. De opzegging was contractueel geldig, maar de manier waarop die werd geëffectueerd was, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar.
Wanneer mag je een vennoot buiten de deur zetten — en wanneer gaat dat te ver? En hoe verhoudt dit vonnis zich tot de vaste lijn van de Hoge Raad over de opzegging van duurovereenkomsten?
In het kort:
- De duur van de samenwerking telt mee, maar is niet doorslaggevend. Hoe langer iemand vennoot is, des te meer zorg moet worden betracht bij het beëindigen van die samenwerking. Maar de duur alleen rechtvaardigt nog geen hogere drempel voor opzegging.
- Een onmiddellijke uitstoting is een ingrijpende maatregel. Zeker bij een langdurige samenwerking kan deze, zonder voorafgaand behoorlijk onderzoek door een onpartijdige buitenstaander, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:248 lid 2 BW). Daarbij geldt dat de opzegtermijn langer dient te zijn naarmate de samenwerking langer heeft geduurd.
- Advocaten (en andere zelfstandig beroepsbeoefenaard): check uw maatschapsovereenkomst. Veel maatschapsovereenkomsten bevatten een opzeggingsbevoegdheid maar geen uitgewerkt ontvlechtingsprotocol.
Wat speelde er?
Eiser was sinds 1988 werkzaam bij het advocatenkantoor en sinds 1994 advocaat-partner in een maatschap; ruim dertig jaar. De maatschap bestond uit zes vennoten. Eind november 2025 zegden vier medevennoten de samenwerking met hem op tegen 1 januari 2026 minder dan vijf weken later. Tegelijkertijd ontzegden zij hem per direct de toegang tot het kantoor.
De gronden? Geleidelijk verslechterde verhoudingen, communicatieproblemen met medewerkers en zorgen over integriteits- en compliance kwesties. De opzeggers beriepen zich op de maatschapsovereenkomst, die opzegging door of aan een vennoot mogelijk maakte, en wel met een kortere opzegtermijn als “overwegende belangen van de maatschap” dat nodig maken. Een onduidelijke bepaling, want wat zijn de belangen van de maatschap en wanneer maken die nodig dat een partner er direct uitgezet wordt?
De advocaat-partner, die het hier niet mee eens was, is naar de voorzieningenrechter gestapt en vorderde daar in kort geding zijn medevennoten te veroordelen om hem in staat te stellen zijn advocatenpraktijk onder de naam van het kantoor ongestoord voort te zetten, en hem de onbelemmerde toegang tot het kantoor te blijven verlenen.
Contractueel kon het — maar niet zó
De voorzieningenrechter stelde voorop dat de opzegging een geldige contractuele basis had. Maar betekende niet dat ook de wijze waarop is opgezegd door de beugel kon. De voorzieningenrechter toetste de opzegging aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) en vond daarbij twee zaken van belang.
- De duur van de samenwerking, hoe langer de samenwerking, hoe meer tijd nog is voor een zorgvuldige beëindiging daarvan. Een vennoot met zo’n lange staat van dienst mag je niet van de ene op de andere dag worden buiten zetten alsof hij een nieuwe medewerker in proeftijd is.
- Partijen hadden een bemiddelingsprocedure afgesproken, maar hebben daar niet serieus uitvoering aan gegeven. De bemiddeling had geen reële kans gekregen: de opzeggers zijn meteen tot opzegging en directe uitsluiting overgegaan.
Deze omstandigheden maakten dat de wijze waarop uitvoering werd gegeven aan de opzegging, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar was.
De Hoge Raad-lijn: aanvullend versus beperkend
De uitspraak van Rb. Noord-Holland staat niet op zichzelf. Deze uitspraak van de rechter sluit naadloos aan van de lijn van de Hoge Raad bij de opzegging van duurovereenkomsten.
De Hoge Raad heeft zich al vaak uitgesproken over de mogelijkheid om duurovereenkomsten op te zeggen. Dat begon met een zaak waarin een contract geen opzegclausule had. De Hoge Raad besliste dat de contractspartijen ook in zo’n geval niet eeuwigdurend tot elkaar veroordeeld waren (HR Kakkenberg / Kakkenberg). Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is dus tussentijds opzegbaar, ook als dat niet in de overeenkomst staat.
In 2011 werd dit nog verder verduidelijkt. De Hoge Raad besliste toen dat bij het opzeggen van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, de redelijkheid en billijkheid een rol spelen. Zo kan het nodig zijn een goede en zwaarwegende grond te hebben, als een overeenkomst al lange tijd duurt. Ook kan het nodig zijn om bij het opzeggen een lange opzegtermijn te hanteren of aan te bieden de schade van de opgezegde partij te vergoeden.
Ook als er geen goede grond is om op ze zeggen, mag je een duurovereenkomst opzeggen. Maar in dat geval kan het wel nodig zijn om een langere opzegtermijn te hanteren. Of een hogere vergoeding voor de beëindiging aan te bieden. (HR Auping).
Als in het contract zelf goed is geregeld hoe de opzegging daarvan verloopt, is er geen ruimte voor een aanvulling op grond van de redelijkheid en billijkheid. In dat geval gaan duidelijke afspraken van partijen vóór. Er is dan geen leemte in het contract die door de rechter moet worden aangevuld. Alleen als de opzeggingsregeling uit een contract leidt tot onaanvaardbare gevolgen, kan de rechter een beroep op die regeling blokkeren en de gevolgen verzachten. Het gaat dan niet om de aanvullende, maar om de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat is een veel hogere drempel (HR DPD) die dus veel minder vaak wordt toegepast.
Terug naar de ruziënde advocatenmaatschap. De rechtbank Noord Holland past het door de Hoge Raad ontwikkelde beoordelingskader toe.
Niet de lengte van de opzegtermijn stond ter discussie, maar de onaanvaardbare manier waarop de opzegging is gedaan: een directe uitsluiting van het kantoor, zonder reële kans voor de overeengekomen bemiddeling, ten aanzien van een vennoot die in ruim dertig jaar het kantoor mede had opgebouwd. Dat is de beperkende werking van art. 6:248 lid 2 BW, toegepast op de bijzondere context van de professionele maatschap.
Wat besliste de rechter?
De voorzieningenrechter wees de vorderingen van eiser grotendeels toe. De opzeggers werden veroordeeld om hem in staat te stellen zijn advocatenpraktijk ongestoord voort te zetten en hem toegang tot het kantoor te verlenen.
Daarnaast legde de rechter een verplichting op tot deelname aan een serieus, door een bemiddelaar geleid uittredingstraject. De boodschap van de rechter is dus dat de uitstoting niet verboden is, maar wel op een zorgvuldige en proportionele manier moet worden uitgevoerd.
Wat betekent dit voor uw maatschapsovereenkomst?
De uitspraak laat zien dat een contractueel opzeggingsrecht alleen niet voldoende is. Even belangrijk is de vraag hoe de opzegging wordt uitgevoerd.
Aandachtspunten:
- Leg een verplicht bemiddelingstraject vast als voorwaarde voor het uitvoeren van een opzegging;
- Stel objectieve en toetsbare gronden voor opzegging vast, zodat willekeur wordt voorkomen;
- Laat de opzegtermijn meegroeien naarmate de samenwerking langer heeft geduurd;
- Regel de praktische ontvlechting: toegang tot dossiers, clientèle, systemen en het pand.
Conclusie
Rb. Noord-Holland 30 december 2025 bevestigt: een contractueel opzeggingsrecht biedt de uitstotende maten geen carte blanche. De manier waarop de opzegging wordt uitgevoerd, moet rekening houden met de belangen van de opgezegde partij. Dat kan betekenen dat een langere opzegtermijn wordt gehanteerd of een schadevergoeding wordt aangeboden.
Heeft u vragen over uw maatschapsovereenkomst of staat u voor een geschil binnen uw maatschap? Neem dan contact met Jeroen Elslo en Merel van Steenpaal.
