Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) in 2015 is een werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer in beginsel een transitievergoeding verschuldigd. Voor veel werkgevers voelde het onrechtvaardig om na twee jaar loondoorbetaling ook nog een transitievergoeding te moeten betalen. Dit leidde vaak tot slapende dienstverbanden, waarbij de arbeidsovereenkomst soms jarenlang in stand werd gehouden zonder dat de werknemer nog arbeid verrichtte of loon ontving, enkel om betaling van de transitievergoeding te vermijden.
Met het Xella-arrest uit 2019 zette de Hoge Raad een streep door deze praktijk, en bepaalde dat een werkgever in beginsel moet meewerken aan beëindiging van het dienstverband van een werknemer die twee jaar ziek is, met betaling van de transitievergoeding. Daarmee werd het “slapende dienstverband” grotendeels teruggedrongen. Een belangrijke pijler voor het oordeel van de Hoge Raad in Xella was de compensatieregeling: werkgevers konden de betaalde transitievergoeding achteraf bij het UWV terugvragen. Met de compensatieregeling verdween de financiële prikkel om een dienstverband na twee jaar ziekte in stand te laten.
De aangekondigde afschaffing van die regeling per 1 januari 2027 zet dat uitgangspunt echter weer op losse schroeven. Daarmee wordt niet alleen de toekomst van het slapende dienstverband opnieuw onderwerp van discussie, maar neemt ook het belang toe van de vraag of werknemers tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen blijven opbouwen.
Afschaffing van de compensatieregeling
In juni 2025 is het wetsvoorstel ‘Beperken compensatieregeling transitievergoeding LAO tot kleine werkgevers’ ingediend. Waar aanvankelijk vanaf 1 juli 2026 alleen grote werkgevers hun recht op compensatie zouden verliezen, koos het kabinet na uitstel van de inwerkingtreding voor een verdergaande maatregel: de compensatieregeling wordt per 1 januari 2027 volledig afgeschaft. Daarmee verdwijnt voor alle werkgevers de mogelijkheid om de betaalde transitievergoeding op het UWV te verhalen.
Wat betekent dit in de praktijk voor werkgevers?
Het aangekondigde uitstel van de afschaffing creëert een aanvullende periode waarin werkgevers onder het huidige regime nog compensatie kunnen aanvragen. Eindigt de wachttijd (in beginsel 104 weken) vóór 1 januari 2027 en wordt de arbeidsovereenkomst daarna beëindigd onder toekenning van een transitievergoeding, dan kan de werkgever in beginsel nog aanspraak maken op compensatie van het UWV. Voorwaarde is wel dat de aanvraag binnen zes maanden na volledige betaling van de transitievergoeding wordt ingediend. Voor werkgevers is het dus aan te raden om dienstverbanden van werknemers die in 2026 langer dan twee jaar ziek zijn nog vóór 1 januari 2027 te beëindigen.
Slapende dienstverbanden na 1 januari 2027
Door de afschaffing van de compensatieregeling is onzeker of werkgevers na 1 januari 2027 nog gehouden zijn mee te werken aan beëindiging van een slapend dienstverband op verzoek van de werknemer. Minister Vijlbrief heeft deze problematiek in een nota van 2 juni 2026 erkend. Hij acht het aannemelijk dat de afschaffing van de compensatieregeling zal leiden tot een toename van slapende dienstverbanden. Ook de Raad van State verwacht een toename van slapende dienstverbanden en uitte in een kritisch advies over het (oorspronkelijke) wetsvoorstel zijn zorgen daarover. In dat kader adviseerde de Raad van State zelfs om de verplichte transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid volledig te schrappen.
Hoewel onduidelijk is hoe groot de toename van het aantal slapende dienstverbanden zal zijn, ligt het volgens de minister voor de hand dat het wegvallen van de compensatiemogelijkheid invloed heeft op de in de rechtspraak ontwikkelde norm dat een werkgever in beginsel moet instemmen met beëindiging van het dienstverband na twee jaar ziekte. Met de afschaffing van de compensatieregeling vervalt immers een belangrijke pijler onder het Xella-arrest van de Hoge Raad. Volgens de minister zal het aan de rechter zijn om in individuele gevallen te beoordelen welke verplichtingen uit het goed werkgeverschap voortvloeien. Zolang die duidelijkheid ontbreekt, valt echter niet uit te sluiten dat slapende dienstverbanden hun herintrede maken.
De opbouw van vakantiedagen bij een slapend dienstverband
Tegen deze achtergrond, en met de mogelijke terugkeer van een groter aantal slapende dienstverbanden, wordt ook een andere vraag relevanter: bouwen werknemers tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen op? Die vraag staat momenteel nadrukkelijk in de belangstelling, mede doordat de kantonrechter Rotterdam hierover op 17 maart 2026 een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad heeft gesteld, waarin wordt gevraagd om duidelijkheid over de uitleg van een rechtsregel. Op grond van artikel 7:634 BW bouwt een werknemer in beginsel namelijk alleen vakantiedagen op over de periode waarin hij recht heeft op loon. Voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers betekent dit doorgaans dat de vakantieopbouw eindigt zodra het recht op loon eindigt. Tijdens een slapend dienstverband worden volgens de Nederlandse wet daarom in beginsel geen vakantiedagen opgebouwd. De vraag is echter of die uitkomst verenigbaar is met het Europese recht.
Op Europees niveau is het recht op vakantie vastgelegd in artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG. De richtlijn vermeldt dat het recht op vakantie wordt toegekend overeenkomstig de voorwaarden die in de nationale wetgeving zijn opgenomen. Dat lijkt de lidstaten veel ruimte te geven om zelf regels te stellen over het recht op vakantie. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt echter dat die ruimte beperkt is. Volgens het Hof ziet de verwijzing naar nationale voorwaarden uitsluitend op de wijze waarop het vakantierecht wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld over het vervallen van vakantiedagen. Lidstaten mogen daarentegen geen voorwaarden stellen aan het ontstaan van het recht op betaalde vakantie zelf. Het HvJ EU is daarom van oordeel dat een voorwaarde op grond waarvan vakantiedagen pas worden opgebouwd nadat een bepaalde periode is gewerkt, ontoelaatbaar is.
Verschillende kantonrechters hebben daarom geoordeeld dat artikel 7:634 BW moeilijk te verenigen is met het Europese uitgangspunt. Zo oordeelde de kantonrechter Nijmegen op 5 juni 2024 dat deze bepaling op dit punt in strijd is met het Europese recht. De kantonrechter Arnhem ging in een uitspraak van 12 augustus 2025 nog een stap verder en liet artikel 7:634 BW buiten toepassing. Dat leidde tot de conclusie dat zieke werknemers de gehele ziekteperiode – en niet slechts gedurende de eerste twee jaren – volledige vakantie-uren opbouwen, ongeacht of zij arbeid verrichten en ongeacht of zij recht hebben op loon.
Ondanks de uitspraak van de kantonrechter Arnhem lijkt de tendens sinds de uitspraak in de lagere rechtspraak nog altijd dat tijdens een slapend dienstverband geen vakantiedagen worden opgebouwd. Daarbij wordt met name gewezen op het bijzondere karakter van het slapende dienstverband, waarbij geen arbeid meer wordt verricht en de met het Europese vakantierecht beoogde doelen van rust en recuperatie nauwelijks nog aan de orde zijn. De uiteenlopende rechtspraak heeft de kantonrechter Rotterdam ertoe gebracht op 17 maart 2026 de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen: “Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?
Gelet op de rechtspraak van het HvJ EU is het zeker denkbaar dat de Hoge Raad zal oordelen dat werknemers ook tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen tegen loonwaarde opbouwen. Met het oog op de afschaffing van de compensatieregeling per 1 januari 2027 is duidelijkheid hierover gewenst doordat slapende dienstverbanden mogelijk vaker zullen voorkomen. Vooralsnog is het afwachten hoe de Hoge Raad de prejudiciële vraag zal beantwoorden.
Conclusie
Met de afschaffing van de compensatieregeling per 1 januari 2027 vervalt een belangrijke pijler onder het Xella-arrest. Daarmee ontstaat opnieuw onzekerheid over de toekomst van het slapende dienstverband. Voor werkgevers van wie werknemers in 2026 het einde van de wachttijd bereiken, is het daarom verstandig het dienstverband nog vóór 1 januari 2027 te beëindigen, zodat de transitievergoeding in beginsel nog voor compensatie door het UWV in aanmerking komt.
Hoe de situatie zich daarna zal ontwikkelen, is minder duidelijk. Indien slapende dienstverbanden na de afschaffing van de compensatieregeling inderdaad vaker zullen voorkomen, wordt de vraag of werknemers tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen opbouwen des te belangrijker. Gelet op het Europese recht is niet uitgesloten dat de Hoge Raad zal oordelen dat daarvan inderdaad sprake is.
Vragen over slapende dienstverbanden of de gevolgen van de afschaffing van de compensatieregeling? Neem contact op met Elisa van den Bosch, advocaat bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten Utrecht, via telefoonnummer 030 – 236 46 00 of via e-mail [email protected].



