Breedte van een overpad: Hoe breed moet een erfdienstbaarheid van voetpad zijn?

Het recht van overpad

Het recht om over de grond van een ander te mogen lopen of rijden, kan in Nederland op diverse manieren worden vastgelegd, en wel in de vorm van een erfdienstbaarheid, een recht van overpad en een buurpad. Daarnaast is schriftelijkheid geen vereiste en kan een dergelijk recht ook ontstaan door gewoonte en verjaring.

Rechten van overpaden komen door het hele land voor in allerlei soorten en maten. Afhankelijk van de gemaakte afspraken in een notariële akte, of de gewoonte mag er in het ene geval met een brommer of auto (van een bepaalde breedte) over een overpad gereden worden. In een ander geval is het overpad uitsluitend bestemd als voetpad. Soms wordt een concrete minimummaat gegeven, maar soms ook niet. Wanneer er geen concrete minimummaat is bepaald, dan kan dit leiden tot discussie. Er zijn namelijk ook geen wettelijke normen voor de minimumbreedte van een overpad. In de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 18 november 2020 stond de vraag ter discussie hoe breed een erfdienstbaarheid van voetpad moet zijn. Het korte antwoord is dat de aan te houden minimumbreedte per geval verschilt, maar gelukkig geeft deze uitspraak wat handvatten om de toegestane minimumbreedte te bepalen.

De omstandigheden van het geval

Het overpad in kwestie is beschreven in een notariële akte. De tekst is als volgt:

‘(…) de erfdienstbaarheid van overpad, waaronder begrepen de overgang met een rijwiel, een motorrijwiel, een bromfiets, een kruiwagen, en andere vervoermiddelen van geringe omvang aan de hand voortbewogen naar en van de [straat] over de thans daarvoor bestemde strook grond. (…)’

Een dergelijke formulering duidt op een recht van voetpad, waar gelopen moet kunnen worden met een fiets aan de hand. Eroverheen rijden (met een fiets) is taboe.

Het overpad in kwestie is in 1976 gevestigd ten gunste van het perceel van de ene partij (hierna: ‘A’) en ten laste van het perceel van de andere partij (hierna ‘B’). Het recht van overpad was door partijen gevestigd zodat A via het pad haar achtertuin kon bereiken. Op het pad is in 2019 door B een smalle en lange houten schuur geplaatst. Dit tot ergernis van A, die B daarop heeft gedagvaard om die schuur te verwijderen.

De vraag die in deze zaak met name ter discussie heeft gestaan is of het pad nog voldoende breed is om met een fiets aan de hand over het pad te kunnen gaan. De schuur mag namelijk niet een normale uitoefening van de erfdienstbaarheid in de weg staan. Door het plaatsen van de schuur was de doorgang naast de schuur aanzienlijk versmald. Op het smalste punt was het pad nog 95 centimeter breed, terwijl dit zonder de schuur ongeveer 230 centimeter zou zijn.

Juridisch kader: De handvatten

De inhoud en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid wordt (in het betreffende geval) bepaald aan de hand van de notariële akte waarmee de erfdienstbaarheid is gevestigd. De erfdienstbaarheid bepaalt dat er – kortweg – met een fiets aan de hand over het overpad gelopen moet kunnen worden. Niet meer en niet minder.

A heeft betoogd dat zij op enig moment met een scootmobiel van het pad gebruik wil maken en dat het pad daarvoor niet voldoende breed is. Uit de erfdienstbaarheidsakte volgt geen recht om met een scootmobiel over het pad te rijden, dus die ruimte hoeft B haar dan ook niet te geven. Een misperceptie is ook dat het hele pad vrijgehouden moet worden. De eigenaar van het pad (B) mag het pad naar eigen inzicht inrichten, zolang er voldoende ruimte overblijft om met een vervoersmiddel aan de hand over het pad te gaan.

A heeft niet bewezen dat het voor haar onmogelijk is om met een fiets aan de hand over het pad te lopen, terwijl dit als eiseres wel op haar weg lag. Saillant detail is dat B een camera had gericht op het overpad en dat op de camerabeelden inderdaad was te zien dat A zonder strubbelingen en zelfs vlot over het overpad kon lopen met een fiets aan de hand. Die camera moest overigens naar het oordeel van de Rechtbank worden verwijderd, maar de schuur mocht blijven staan. Ook met de aanwezigheid van de schuur kon de erfdienstbaarheid van voetpad immers worden uitgeoefend.

Voorts is de bottleneck in dit geval de tuinpoort van A zelf. De tuinpoort tussen het overpad en de achtertuin van A is slechts 85 centimeter breed, zodat het overpad (op het smalste punt 95 centimeter) nog altijd breder is dan de poort naar de achtertuin van A. A zal immers altijd met haar fiets aan de hand ook door die poort moeten. A mag haar fiets namelijk niet op het overpad laten staan.

Tot slot is het smalste punt van het overpad weliswaar 95 centimeter, maar dit is zogezegd het smalste punt. Geleidelijk aan wordt het pad naast de schuur steeds breder. Slechts een beperkt stuk van het pad was dus smal en dit smalste punt bevond zich niet ter hoogte van de tuinpoort. De schuur stond niet tegenover de tuinpoort. Ter hoogte van de tuinpoort was het pad wel 245 centimeter breed, waardoor A op een normale manier met haar fiets aan de hand over het pad kon voortbewegen en haar fiets voor haar tuinpoort kon draaien.

Slotsom is dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat een pad met een vrije ruimte van 95 centimeter in dit geval voldoende breed is om de erfdienstbaarheid van voetpad uit te oefenen.

Conclusie

De les voor de praktijk is dan ook dat een pad met een minimumbreedte van 95 centimeter voldoende is voor een erfdienstbaarheid van voetpad, mits dit de normale uitoefening van de erfdienstbaarheid niet in de weg staat.

Dit artikel is geschreven door mr. Anton Heilig, advocaat bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten te Hoorn. Voor vragen over dit artikel of advies over uw de uitleg en de mogelijkheden ten aanzien van uw recht van overpad, kunt u contact met hem opnemen.