De bankblokkade wegens een vermoeden van fraude

De bankblokkade wegens een vermoeden van fraude

Met de bank hoeft de gewone man doorgaans geen medelijden te hebben. De bank zorgt altijd goed voor zichzelf. Het afgelopen decennium heeft de bank echter ongevraagd meer verantwoordelijkheden gekregen met betrekking tot de opsporing van criminaliteit, en dat is het Nederlandse bankbedrijf duur komen te staan. Op 3 september 2018 schikte de ING Bank met het Openbaar Ministerie vanwege tekortschietende compliance. De bank betaalde een monsterbedrag van € 775 mio. en na de schikking volgde ook nog strafvervolging. Eenzelfde donkere wolk pakt zich momenteel samen boven (het management van) ABN AMRO. Het Nederlandse bankbedrijf heeft daarop haar maatregelen getroffen.

De deal met het justitie luidde een nieuw compliancetijdperk in, waarvan de gewone man en bonafide onderneming de dupe is. De bank neemt geen risico’s meer, en blokkeert om de minste aanwijzing de bankrekeningen van klanten met alle gevolgen van dien. Het consumentenprogramma Radar kopte op 21 september 2020 “Fraudecontrole van banken schiet door”, en ook in het Financieele Dagblad was onlangs aandacht voor de doorgeschoten witwasregels. In een enkel geval neemt de klant het dapper genoeg op tegen de bank en vordert deblokkering van de rekeningen. Hoe loopt dat meestal af? Onze sectie Aansprakelijkheid, die zich ook bezighoudt met fraudekwesties, analyseerde de drie gepubliceerde zaken over het onderwerp.

#1 Geldezel

In een kwestie die speelde voor de Rechtbank Rotterdam had de ING Bank de betaalrekening geblokkeerd van een klant die zijn rekening ter beschikking had gesteld aan criminelen. De klant had als ‘money-mule’ – ook wel geldezel of katvanger geheten – een uit criminaliteit verkregen bedrag op zijn rekening ontvangen, dat bedrag vervolgens opgenomen en contant verschaft aan de criminelen die zo meenden buiten schot te blijven. De klant stelde van niets te weten en geen betrokkenheid te hebben, maar de rechtbank vond het betoog van de ezel onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelde, met verwijzing naar het toenmalige artikel 30 Algemene Bankvoorwaarden (“ABV”), dat een bank een klantrelatie op mag zeggen als een vertrouwensbreuk aan de orde is, of als voortzetting van de klantrelatie leidt tot onacceptabele risico’s. Op een bank rust weliswaar een zorgplicht, maar in het gegeven geval vond de rechtbank dat het integriteitsrisico voor de bank zwaarder moest wegen. Als de bank bevoegd was om de bankrelatie op te zeggen, dan mocht de bank de rekeningen ook blokkeren. De geldezel ving bot.

#2 Factuurfraude

Een tweede kwestie had een zakelijk(er) karakter. De kwestie speelde voor de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam en behelsde een bankblokkade wegens de verdenking van factuurfraude. In een dergelijk geval sturen witteboordencriminelen nepfacturen de wereld in. De ontvangsten worden vervolgens doorbetaald aan vennootschappen in binnen- en buitenland om de middelen weg te sluizen. De vennootschappen Ornix en Firmeza zaten aan het einde van een keten van betalingen, waarop de ING Bank de rekeningen voor onbepaalde tijd blokkeerde. Hoewel de vennootschappen volhielden van niets te weten, hield de bank ten tijde van de procedure de rekeningen al tweeënhalf jaar geblokkeerd.

De Voorzieningenrechter baseerde zijn oordeel niet op artikel 30 AVB, maar betrok artikel 2 ABV. Op grond van het eerste lid geldt dat op de bank een zorgplicht rust. De bank moet zorgvuldig zijn en naar beste vermogen rekening houden met de belangen van de klant. Daar staat evenwel tegenover, in het tweede lid, dat de klant ook met de belangen van de bank moet rekenen, die op haar beurt moet voldoen aan haar verplichtingen jegens de toezichthouder (vgl. artikelen 3:10 jo. 3:17 Wft, 14 Bpr en 3 jo 5 Wwft). De bevoegdheid tot blokkering volgt bovendien expliciet uit de artikelen 3 en 25 Voorwaarden Zakelijke Rekening (“VZR”) ingeval van een “vermoeden van niet-toegestaan of frauduleus gebruik” van de rekening. De Voorzieningenrechter deelde de zorg van de bank en liet de blokkade in stand.

#3 Factoringfraude

Ook een laatste kwestie speelde voor de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam. In deze laatste kwestie werden particuliere en zakelijke rekeningen bevroren wegens het vermoeden van factoringfraude. De factormaatschappij had aan een onderneming facturen vooruitbetaald, maar deze facturen bleken achteraf gefalsificeerd waardoor de factormaatschappij deze zelf niet kon incasseren. De onderneming en haar voormalig bestuurder stelden de factormaatschappij niet te kennen, maar ook ditmaal kwam de trucage wel vast te staan.

De Voorzieningenrechter oordeelde opnieuw met inachtneming van de artikelen 2 ABV, 25 VZR en in het gegeven geval ook artikel 50.2 Voorwaarden Betaalrekening voor Particulieren (“VBP”). De rechtter oordeelde (opnieuw) dat de ING Bank voldoende grond had voor een vermoeden van fraude, en dat de bank daarmee tot blokkering bevoegd was geweest. In de belangenafwezig trokken de onderneming en de ondernemer aan het kortste eind, zodat de blokkade bleef rusten.

Zinloos dus? Nee!

In de aangehaalde zaken werd het verzoek om deblokkering steevast afgewezen. Toch moet de conclusie niet zijn dat het geen zin heeft om tegen een blokkade op te komen. In de onderhavige situaties kwam genoegzaam vast te staan dat de klant betrokken was bij duistere zaken, en in dat geval is een blokkade ook wel te billijken. Bent u echter de gewone man of bonafide onderneming wiens rekening pardoes is geblokkeerd omdat banken (te) voorzichtig zijn, dan zijn er zonder meer kansen. Te meer in het licht van het maatschappelijk verzet dat steeds luider lijkt te klinken. De tijd is rijp voor een tegengeluid in de jurisprudentie.

De advocaten van onze sectie Aansprakelijkheidsrecht staan u graag ten dienste. Voor meer informatie en vragen kunt u contact opnemen met Ashley Geerts of Michaël Dol.

De bankblokkade wegens een vermoeden van fraude